De artistieke praktijk van Bram Braam is diep verankerd in de visuele en materiële taal van de stad. Geïnspireerd door stedelijke landschappen en hun voortdurende transformatie werkt hij met materialen als beton, staal, baksteen, glas, hout en verf — soms verzameld op straat, maar vaker zorgvuldig gereconstrueerd in het atelier. Vanuit een minimalistische benadering vertaalt Braam de texturen en oppervlakken van de gebouwde omgeving naar composities die zowel vertrouwd als abstract aanvoelen, en schilderkunst met landschap verbinden.
Zijn werken bevinden zich in een liminale zone: noch volledig abstract, noch puur representatief. Ze zijn opgebouwd uit fragmenten van het alledaagse stedelijke leven, waarbij materialiteit en tactiliteit fungeren als dragers van emotie en geheugen. Door het zorgvuldig naast elkaar plaatsen van uiteenlopende elementen ontstaan spanningen en resonanties, zichtbaar in subtiele verschuivingen van textuur, ritme en vorm.
Het proces achter Braams gelaagde werken is langdurig en onderzoekend. Oppervlakken ontwikkelen zich in de tijd door snijden, herstructureren, stapelen en erosie. Materialen krijgen de ruimte om te reageren, te transformeren en sporen te tonen van zowel tijd als de fysieke aanwezigheid van de kunstenaar. Dit resulteert in werken die een dynamisch samenspel belichamen tussen controle en toeval, stabiliteit en desintegratie.
Beïnvloed door concrete kunst, modernistische architectuur en minimalisme neemt Braam een onderscheidende positie in binnen de post-vandalismebeweging. Zijn praktijk kan worden gezien als een conceptuele evolutie van graffiti — ontdaan van context en verheven tot een verfijnde beeldtaal die de esthetiek van stedelijk verval binnenbrengt in het domein van de hedendaagse kunst.
Centraal in Braams conceptuele benadering staat het idee van onderlinge verbondenheid: elke handeling zet een keten van reacties in gang. Deze filosofie stuurt zowel zijn materiaalkeuze als zijn werkwijze, waarbij ideeën en materialen elkaar voortdurend hervormen. Dit principe zet zich voort in zijn sculpturale werk, waarin architectonische en industriële vormen vaak worden geconfronteerd met organische, door de natuur geïnspireerde elementen. Deze tegengestelde krachten kunnen in balans samenkomen, maar dragen ook het potentieel van conflict en ontwrichting in zich.
Uiteindelijk is het werk van Bram Braam een reflectie op transformatie, onderlinge afhankelijkheid en de poëtische spanning tussen menselijke constructie en natuurlijke veerkracht. Het nodigt de kijker uit om stil te staan bij het fragiele evenwicht dat onze gebouwde omgeving definieert, en bij de stille schoonheid van materialen die zich bevinden tussen orde en entropie.
